Momenteel nog geen overtuigende aanwijzingen dat vrij onderhandelbare ziekenhuiszorg doelmatiger of kostenbesparend is
De prestaties van het vrij onderhandelbare deel van de ziekenhuiszorg (B-segment) kunnen op verschillende manieren worden beoordeeld:
- Door een vergelijking met de prestaties vòòr de invoering van het B-segment. Het B-segment bestaat echter uit nieuwe producten (’s). Deze werden in het oude systeem niet op een dergelijke manier gedefinieerd en geregistreerd waardoor een exacte vergelijking niet mogelijk is.
- Door een vergelijking met de zorg in het A-segment. Het A-segment is het complement (zorg met centraal vastgestelde tarieven) van het B-segment in de ziekenhuiszorg. Bij deze vergelijking zal moeten worden gecorrigeerd voor verstorende factoren, zoals de zorgzwaarte van de patiëntenpopulatie (case-mix). Het is niet onwaarschijnlijk dat de (ontwikkeling in) zorgzwaarte verschilt tussen deze segmenten.
- Door de trends rond de zorg in het B-segment te volgen ná de invoering. Voor de eerste dbc’s (uit 2005) kan dan alleen worden berekend of de prestaties binnen het B-segment erop vooruit of achteruit zijn gegaan. Het laat niet zien of het vrij onderhandelbare deel beter presteert dan een alternatief (bijvoorbeeld A-segment). Voor de dbc’s die in 2008 en 2009 vanuit het A-segment zijn toegevoegd zou een vergelijking met eerdere jaren in het A-segment kunnen worden gemaakt. Daarbij kunnen de prijzen in de tijd worden vergeleken met de schoningsprijzen die bij de start van dbc’s worden vastgesteld.
Beoordeling van doelmatigheid
Doelmatigheid staat voor de verhouding tussen ingezette middelen en de opbrengsten die met ingezette middelen worden behaald. Idealiter worden de opbrengsten van zorg gemeten in termen van uitkomsten als gezondheidswinst. Helaas is er specifiek voor het B-segment nog onvoldoende informatie om de gezondheidswinst (kwaliteit) te beoordelen, laat staan trends te bekijken of te vergelijken met het A-segment. Daarmee is het bij voorbaat lastig om iets te zeggen over doelmatigheid. We kunnen wel iets zeggen over de wachttijd-ontwikkeling binnen het B-segment. Voor een groot aantal behandelingen is de wachttijd tussen 2006 en 2009 afgenomen (). In welke mate dit wordt veroorzaakt door vrije onderhandeling is niet duidelijk, aangezien de meeste ziekenhuisspecialismen een daling in wachttijd laten zien.
Een alternatieve, minder exacte methode is het meten van de opbrengst in termen van volume, zoals het aantal dbc’s of het aantal uitgevoerde behandelingen, in plaats van gezondheidswinst. Door het ontbreken van kwaliteitsinformatie moeten veronderstellingen worden gemaakt over de toegevoegde waarde (gezondheidswinst) per geleverd product. Volumeberekeningen voor het B-segment staan echter nog in de kinderschoenen. Het DBC-informatiesysteem (waar ’s in worden geregistreerd) kende de nodige opstartproblemen en binnen het dbc-systeem traden in de loop der jaren wijzigingen in definities op. Daarnaast zijn vergelijkingen met het A-segment en eerdere jaren (op basis van bijvoorbeeld de Landelijke Medische Registratie) lastig vanwege definitieverschillen en het feit dat de dekking van de Landelijke Medische Registratie de laatste jaren sterk afnam.
De prijsinformatie is op dit moment de meest harde/betrouwbare informatie. Afgezet tegen de gemiddelde kwaliteit geeft deze een indicatie van de doelmatigheid. Echter, zoals gezegd, is de kwaliteitsinformatie over het B-segment nog onvoldoende om in doelmatigheidsanalyses te betrekken. Uit de prijsinformatie blijkt het volgende. In het eerste jaar (2005) steeg de gemiddelde prijs in het B-segment met 5,5% bovenop de schoningsprijs. In de daaropvolgende jaren steeg de gemiddelde prijs met 0% (2006), 2,1% (2007), 1,1% (2008) en 1,5% (2009). Een trend is hierin moeilijk waar te nemen. In vergelijking met het A-segment was de prijsstijging in het B-segment tussen 2005 en 2007 gemiddeld net zo hoog. Daarna stegen de prijzen in het A-segment iets harder. Na 2007 is de samenstelling van beide segmenten echter wel veranderd wat de vergelijking bemoeilijkt. Een probleem blijft bijvoorbeeld het ontbreken van een correctie voor case-mix (en mogelijk andere verstorende factoren, zie ook ).
Alleen wanneer de prijsontwikkeling ook na correcties voor deze verschillen lager zou zijn (dan bijv. in het A-segment) en wanneer de gezondheidswinst per dbc niet minder is, kan verschuiving van zorg van het A-segment naar het B-segment leiden tot doelmatigheidswinst. Dit kan op basis van huidige data onvoldoende worden onderbouwd, maar ook niet worden uitgesloten.
Beoordeling van kostenbesparingen
In recente discussies over de herordening van de overheidsfinanciën is verschillende malen geopperd dat uitbreiding van het B-segment ook leidt tot kostenbesparingen op macroniveau. Om dit te beoordelen moeten de totale uitgaven of de twee componenten hiervan, prijs en volume, worden bekeken. Wanneer de prijzen in het B-segment langzamer zouden stijgen dan in het A-segment kan overheveling van zorg van het A-segment naar het B-segment leiden tot een besparing, mits veranderingen in het volume deze besparing niet ongedaan maken. In de jaren 2005-2007, waarin het aantal aandoeningen in het B-segment constant was, bleek de totale uitgavenontwikkeling in het B-segment iets hoger dan in het A-segment. Om al eerder genoemde redenen is de vergelijking tussen het A- en het B-segment lastig, maar deze uitkomst duidt in ieder geval niet op een besparing bij overheveling.
Samenvattend is de conclusie dat er momenteel nog geen overtuigende aanwijzingen bestaan dat vrij onderhandelbare ziekenhuiszorg doelmatiger of kostenbesparend is in vergelijking met niet vrij onderhandelbare ziekenhuiszorg.