Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Zorgbalans

Subsidies

Het weigeren van verzekerden voor de basisverzekering is door middel van de acceptatieplicht de enige vorm van risicoselectie die wettelijk is verboden (Van de Ven et al., 2009). Om te voorkomen dat zorgverzekeraars andere vormen van risicoselectie toepassen zijn subsidies nodig, die kunnen de prikkel tot risicoselectie verminderen. Kruissubsidies tussen risico- en inkomensgroepen worden gerealiseerd via een systeem van ex-ante risicoverevening, inkomensafhankelijke bijdragen, ex-post kostencompensaties, inkomensafhankelijke zorgsubsidies en een verbod op premiedifferentiatie per polis (Van de Ven et al., 2009).

Risicoverevening is nodig om risicoselectie te voorkomen door te compenseren voor verschillen in zorgkosten die samenhangen met voorspelbare verschillen in gezondheidsrisico’s. De risicoverevening zoals deze momenteel wordt vormgegeven biedt nog geen volledige compensatie. Het kan dus nog altijd voordelig zijn om een vorm van risicoselectie toe te passen. Mogelijkheden voor risicoselectie zitten in de aanvullende verzekering, collectieve contracten en selectieve contractering.

Het percentage mensen met een aanvullende verzekering blijft hoog. In 2006 lag het percentage op 95%, in 2008 en 2009 lag dit op ruim 90% (De Jong et al., 2006; NZa, 2008; NZa, 2009a). Mensen die een aanvullende verzekering afsluiten doen dat bij de zorgverzekeraar waar zij ook een basisverzekering hebben. In artikel 120 Zvw is opgenomen dat een verzekeraar de aanvullende zorgverzekering niet mag beëindigen als een verzekerde de basisverzekering opzegt. Dit betekent niet dat een verzekerde op grond van artikel 120 Zvw kan afdwingen dat de aanvullende verzekering en basisverzekering bij verschillende zorgverzekeraars worden afgesloten (VWS, 2009e). In tegenstelling tot de basisverzekering geldt voor de aanvullende verzekering geen acceptatieplicht en geen verbod op premiedifferentiatie. Aanvullende verzekeringen kunnen daarom een effectief instrument zijn voor risicoselectie binnen de basisverzekering. In 2008 werd geconcludeerd dat er sprake was van een aanscherping van de voorwaarden met betrekking tot de aanvullende verzekering, zowel met betrekking tot de aanmelding als tot de acceptatie voor de aanvullende voorwaarden (Roos & Schut, 2009). Deze ontwikkeling lijkt in 2009 niet door te zetten. Het gebruik van gezondheidsverklaringen door zorgverzekeraars is beperkt. Wel worden er meer vragen gesteld over toekomstig zorggebruik en over bepaalde aandoeningen. Voor een deel van deze aandoeningen geldt dat verzekeraars niet via het vereveningssysteem worden gecompenseerd. Hier kunnen echter nog geen conclusies met betrekking tot risicoselectie aan worden verbonden, omdat het gaat om kleine aantallen mensen. In vergelijking met 2008 is een kleiner aantal mensen geaccepteerd tegen beperkende voorwaarden (zoals uitsluiting van en/of wachttijd voor vergoeding van bepaalde behandelingen) en/of moesten een premieopslag betalen. Wel hanteerden iets meer verzekeraars pakket- en/of premiedifferentiatie (Roos & Schut, 2009).

Daarnaast kan er risicoselectie plaatsvinden via collectiviteiten, maar ook door collectiviteiten. Risicoselectie via collectiviteiten houdt in dat zorgverzekeraars alleen een collectief contract aanbieden aan groepen verzekerden met een relatief gunstig risico. Zo zijn werkgeverscollectiviteiten gunstiger wat betreft risico dan bepaalde patiëntenverenigingen. Risicoselectie door collectiviteiten houdt in dat de collectiviteiten de gunstige risico’s selecteren en mensen met een ongunstig risico ontmoedigen om gebruik te maken van een collectief contract. Risicoselectie door collectiviteiten lijkt niet plaats te vinden (Roos & Schut, 2009). Er zijn wel collectiviteiten die zich nadrukkelijk richten op verzekerden met een gunstig risico. Ook krijgen doelgroepen die een hoog risico (kunnen) vormen relatief gezien iets minder hoge kortingen (Roos & Schut, 2009; Van der Maat & De Jong, 2009; NZa, 2009d).

Risicoselectie kan ook plaatsvinden door bepaalde zorgaanbieders niet te contracteren. Verzekerden die van deze zorgaanbieders gebruik maken zullen dan voor een andere zorgverzekeraar kiezen. Er is nog geen empirisch materiaal op basis waarvan uitspraken gedaan kunnen worden over het optreden van dit fenomeen in de praktijk.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Jong J de, Delnoij D, Groenewegen P. Mensen kiezen voor zekerheid in het nieuwe stelsel. Utrecht: NIVEL,2006.
  • NZa, Nederlandse Zorgautoriteit.Ziekenhuiszorg 2008. Een analyse van de marktontwikkelingen in het B-segment 2008. Utrecht: NZa, 2008.
  • NZa, Nederlandse Zorgautoriteit.Monitor Ziekenhuiszorg 2009. Tijd voor reguleringszekerheid. Utrecht, 2009a.
  • NZa, Nederlandse Zorgautoriteit.Monitor Zorgverzekeringsmarkt 2009. Trends en acties van de NZa. Utrecht: NZa, 2009d.
  • Roos AF, Schut FT.Evaluatie aanvullende en collectieve ziektekostenverzekeringen 2009. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF). Eindrapport. Rotterdam: Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg (Erasmus MC)/Erasmus Universiteit Rotterdam, 2009.
  • Van de Ven WPMM, Schut FT, Hermans HEGM.Evaluatie Zorgverzekeringswet en Wet op de Zorgtoeslag. Den Haag:. Den Haag: ZonMw, 2009.
  • Van der Maat M, De Jong JD.De rol van collectiviteiten in het zorgstelsel. Utrecht: NIVEL, 2009.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Vragen van het lid Schippers (VVD) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de koppelverkoop van zorgverzekeringen, met de daarop door de regering gegeven antwoorden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, Aanhangsel. ’s-Gravenhage: Sdu Uitgevers, 2009e.
Zorgbalans, versie 3.2, 22 december 2011
© RIVM, Bilthoven.