U bevindt zich op:Zorgbalans›Kwaliteit›Vraaggerichtheid›
In figuur 1 is te zien hoe vaak patiënten aangeven te kunnen meebeslissen over de zorg die zij ontvangen. In de verpleeg- en verzorgingshuizen geven patiënten het vaakst aan niet te kunnen meebeslissen. Meer dan de helft (58%) geeft hier aan nooit of soms te kunnen meebeslissen. Voor de overige patiëntengroepen geldt dat minimaal tweederde van de patiënten aangeeft meestal of altijd mee te kunnen beslissen. Voor reumatoide artritis en staaroperatie zijn gegevens beschikbaar over twee verschillende jaren. De resultaten in deze jaren verschillen nauwelijks.
Figuur 1: Mate waarin zorggebruikers ervaren dat ze mogen meebeslissen over de geboden zorg (Bron: CQ-index).
VV = verpleeg- en verzorgingshuizen
Er zijn niet alleen verschillen in de mate waarin patiënten ervaren dat zij mogen meebslissen tussen zorgvormen, maar ook tussen zorgaanbieders binnen de verschillende zorgvormen. In figuur 2 is de spreiding tussen zorgaanbieders te zien in de mate waarin patiënten ervaren dat zij kunnen meebeslissen over de zorg. De lijnen geven het gebied weer waar binnen we de gemiddelde scores van 95% van alle aanbieders verwachten. Hoe groter de verschillen tussen zorgaanbieders (de spreiding), hoe langer de lijn. Niet alle zorgvormen uit figuur 1 komen terug in figuur 2 omdat niet in alle gevallen voldoende data beschikbaar was voor de onderliggende bewerkingen.
Het blijkt dat de onderlinge verschillen tussen verpleeg- en verzorgingshuizen veel groter zijn dan tussen bijvoorbeeld ziekenhuizen of thuiszorgzorgaanbieders. Hoe deze verschillen kunnen worden verklaard, is onbekend. Het is denkbaar dat cliënten in verpleeg- en verzorgingshuizen een duidelijker en meer uitgesproken beeld hebben van de zorgaanbieder omdat zij daar gedurende lange tijd dagelijks mee te maken hebben. Mogelijk worden de verschillen in ervaringen tussen huizen daardoor beter gemeten. Wanneer meer verschillen tussen zorgaanbieders worden gemeten, biedt dit meer aanknopingspunten voor verbetering. Uiteraard dient dan wel te worden onderzocht waarin de hoog scorende zorgaanbieders zich onderscheiden van de laag scorende zorgaanbieders.
Figuur 2: Spreiding tussen aanbieders wat betreft de mate waarin zorggebruikers aangeven te kunnen meebeslissen, uitgedrukt als de range waarin 95% van de aanbiederscores wordt verwacht (Bron: CQ-index).