In de afgelopen jaren daalde het percentage risicopatiënten dat decubitus kreeg zowel in de thuiszorg en instellingen voor wonen zorg en welzijn als in ziekenhuizen; de decubitusprevalentie onder risicopatiënten is sinds de start van de LPZ metingen nooit zo laag geweest
Sinds 2003 zien we een dalende trend in het voorkomen () van in de instelling ontwikkelde decubitus bij risicopatiënten in algemene ziekenhuizen, de thuiszorg en instellingen voor 'wonen zorg en welzijn' (voorheen de verpleeg- en verzorgingshuizen) (zie figuur 1). In 2010 is deze prevalentie gedaald tot respectievelijk 5,6%, 1,5% en 3,6% (LPZ-data; databewerking LPZ, CAPHRI). Sinds 2004 is het percentage risicopatiënten dat decubitus heeft steeds het hoogst in academische ziekenhuizen, maar ook daar lijkt een dalende trend ingezet. Daarmee is de decubitusprevalentie bij risicopatiënten in 2010 het laagst sinds de start van de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) in 1998.
Hierbij gaat het om decubitus met een graad van ernst variërend van 2 tot 4, welke in de instelling is ontstaan (nosocomiaal). Graad 1, de lichtste graad, is moeilijk vast te stellen () en wordt hier daarom buiten beschouwing gelaten.
De prevalentie van decubitus hangt onder meer samen met de omvang van de groep patiënten met een verhoogd risico op het krijgen van decubitus en de hoogte van dat risico (). Naarmate er meer patiënten een risico hebben, zullen er meer patiënten decubitus ontwikkelen, en naarmate het risico hoger is, is de kans dat men daadwerkelijk decubitus krijgt ook groter. Het risico op het krijgen van decubitus wordt gemeten met de Bradenschaal: hoe lager de Bradenscore, hoe hoger het risico. Volgens deze schaal zijn de percentages risicopatiënten in alle vier sectoren al jaren min of meer stabiel en is dit percentage in instellingen voor 'wonen zorg en welzijn' steeds het hoogst. In 2010 lag het percentage voor de thuiszorg en de ziekenhuizen rond de 48% en voor instellingen voor 'wonen zorg en welzijn' was dit ongeveer 60% (). Opvallend is dat in instellingen voor 'wonen zorg en welzijn', de decubitus prevalentie veel lager is dan in de ziekenhuizen, terwijl het percentage risicopatiënten in deze instellingen het hoogst is.
Decubitus wordt beschouwd als een indicator voor kwalitatief goede en veilige verpleegkundige zorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg had decubitus opgenomen als indicator in de basisset ziekenhuisindicatoren. Met ingang van 2010 is deze indicator vervangen door de indicator decubitus en huidletsel door incontinentie (). De indicator decubitus was ook opgenomen in het Kwaliteitskader Verantwoorde zorg: Verpleging, Verzorging en Zorg thuis (), maar deze is met ingang van 2010 vervangen door huidletsel ().
Figuur 1: Prevalentie van nosocomiale decubitus (zonder graad 1) in de risicogroep, 2000-2010 (%) (Bron: -data; databewerking LPZ, CAPHRI).