Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Zorgbalans
Borstkanker Baarmoederhalskanker Dikkedarmkanker Verschillen in beleid tussen landen

5-jaarsoverleving van patiënten met kanker bleef stabiel of steeg licht

De 5-jaarsoverleving van patiënten met kanker is een indicator die de effectiviteit van de vroege opsporing (of screening) en behandeling combineert. Door vroege opsporing en goede behandeling is de overleving te verbeteren. Een betere overleving betekent dat een toenemend deel van de patiënten is genezen of dat patiënten langer leven met kanker. Op deze pagina worden gegevens van de relatieve 5-jaarsoverleving van patiënten met borstkanker, baarmoederhalskanker en dikkedarmkanker gepresenteerd. Dit zijn vormen van kanker waarvoor een bevolkingonderzoek bestaat (borstkanker en baarmoederhalskanker), of waarvoor plannen bestaan om een bevolkingsonderzoek op te starten (dikkedarmkanker).


Borstkanker

Gunstige trend gestagneerd

Van de vrouwen bij wie in 2004 borstkanker werd gediagnosticeerd, is de relatieve 5-jaarsoverleving 84,4%. Voor alle leeftijden tussen 15 en 74 jaar ligt dit percentage tussen de 86% en 90%, maar voor vrouwen van 75 jaar en ouder is de 5-jaarsoverleving slechts 75%. Als we de trend over de periode 1995-2004 bekijken (met follow-up tot 2000-2009), zien we dat de overleving van vrouwen bij wie de borstkanker tussen 1997 en 2000 werd gediagnosticeerd, verbeterde, van 79,5% naar 84,5%. Daarna vond geen verdere verbetering meer plaats (zie figuur 1). Verbeteringen waren zichtbaar voor alle leeftijden tussen 15 en 74 jaar, ook voor de groep vrouwen die niet gescreend worden (15-40 jaar). Voor vrouwen van 75 jaar en ouder werd geen verbetering van de relatieve overleving gezien in de periode 1995-2004.

Nederlandse cijfers gemiddeld, vergeleken met andere westerse landen

De relatieve 5-jaarsoverleving ligt in Nederland, vergeleken met andere westerse landen, op gemiddeld niveau (zie figuur 2). De landen met hogere overlevingscijfers rapporteerden percentages die 1,3 tot 1,9 procentpunten hoger liggen dan het percentage in Nederland. De Verenigde Staten (VS) is een uitschieter, met een 4,6 procentpunten hogere overleving. Dit blijkt uit onderzoek op initiatief van de OECD. Een onvolledige registratie van overledenen in de VS zou een hoge overleving in dat land deels kunnen verklaren (Siesling et al., 2011b), al wordt de mate van overschatting bij borstkanker gering geacht (Brenner & Hakulinen, 2009; Coleman et al., 2008b). De EUNICE Survival Working Group vergeleek ook de 5-jaarsoverlevingscijfers tussen Europese regio’s en de VS, en wel voor vrouwen die in de periode 2000-2004 waren gediagnosticeerd. De werkgroep concludeerde dat de verschillen tussen Europa en de VS vooral verklaard worden door de betere overleving van vrouwen van 70 jaar en ouder in de VS (Rosso et al., 2010). Deze werkgroep wees wel op algemene problemen bij het vergelijken tussen landen, maar schreef niets over een slechtere follow-up bij ouderen in de negen gebruikte Amerikaanse registraties in vergelijking met de Europese registraties. De langlopende EUROCARE-studie, gebaseerd op patiënten die in de periode 2000-2002 waren gediagnosticeerd, liet een vergelijkbaar beeld zien als de OECD-studie: de overleving in Nederland is relatief gunstig, al wordt Nederland voorbijgestreefd door Scandinavische landen en Zwitserland (Karim-Kos et al., 2008).

Verschillende verklaringen voor de eerdere stijging van de overleving

De verbeterde overleving van vrouwen met borstkanker in Nederland wordt toegeschreven aan de screening die in 1990 werd ingevoerd en aan de verbeterde behandeling. Door de screening worden vaker kleinere en minder agressieve tumoren opgespoord, en kan vroeger met behandeling worden gestart. Verbeteringen in de behandeling deden zich voor op het gebied van de chirurgie en aanvullende therapieën (hormonale therapie en chemotherapie). Daarnaast zijn nieuwe typen medicijnen geïntroduceerd (Siesling et al., 2011b). Bij ouderen is de relatieve 5-jaarsoverleving relatief laag, verbeterde niet in de loop der tijd, en is in Nederland (en de rest van Europa) slechter dan in de VS. Dat kan er mee te maken hebben dat bij ouderen richtlijnen voor behandeling minder vaak en volledig worden toegepast, omdat behandelaars oordelen dat deze te belastend zijn voor (kwetsbare) ouderen (met comorbiditeit). Ouderen worden minder vaak geopereerd en krijgen weinig radiotherapie en zelden chemotherapie na operatie. Wel krijgen ze vaak hormonale therapie (zoals tamoxifen). Gebruik van hormonale therapie onder ouderen nam sterk toe in de periode 1995-2005 (Bastiaannet et al., 2011). Of bij ouderen terecht een terughoudend beleid wordt gevoerd, is vanwege beperkt evaluatieonderzoek van kankertherapie bij ouderen niet bekend (Van de Water et al., 2011). Onderzoek hiernaar zal worden gestimuleerd door de stichting Geriatrische Oncologie Nederland.

5-jaarsoverleving borstkanker en baarmoederhalskanker

Figuur 1: Relatieve 5-jaarsoverleving (met 95% betrouwbaarheidsinterval) van vrouwen met borstkanker en baarmoederhalskanker, gestandaardiseerd volgens de ‘International Cancer Survival Standard’ (ICSS-2) populatie (Bron: Nederlandse Kankerregistratie). Follow-up tot en met 2009.

overleving borstkanker internationaal

Figuur 2: Relatieve 5-jaarsoverleving (met 95% betrouwbaarheidsinterval) van vrouwen met borstkanker, gediagnosticeerd in 2004, tenzij anders vermeld. Voor Nederland zijn drie jaren samengenomen (Bron: OECD, 2011; Nederlandse Kankerregistratie).

Naar boven


Baarmoederhalskanker

5-jaarsoverleving nauwelijks gestegen

Van de vrouwen bij wie in 2002-2004 baarmoederhalskanker werd vastgesteld, was de relatieve 5-jaarsoverleving 66,6%. Als we de trend over de periode 1995-2004 bekijken, zien we een heel lichte verbetering van de overleving, hoewel niet statistisch significant (zie figuur 1). Deze lichte verbetering deed zich voor in de leeftijdsklassen 45-54 jaar en 65-74 jaar, dus zowel in de groep die wel gescreend wordt, als in de groep ouderen die niet gescreend wordt (screening is gericht op 30-60 jarigen). Deze trends zijn de resultante van screeningeffecten, cohorteffecten en verbetering in de behandeling (zoals het gebruik van radiotherapie in combinatie met hyperthermie) (De Kok et al., 2011).

Nederlandse cijfers op zelfde niveau als andere westerse landen

De relatieve 5-jaarsoverleving in Nederland is vergelijkbaar met die in andere westerse landen, blijkt uit het OECD-onderzoek (zie figuur 3). Gezien de lage incidentie en sterfte van baarmoederhalskanker, zijn de betrouwbaarheidsintervallen rond de 5-jaarsoverlevingcijfers breed, en zijn de meeste verschillen met andere landen niet statistisch significant. Alleen in Noorwegen is de overleving beter (ruim 11 procentpunten) dan in Nederland, en in het Verenigd Koninkrijk en Ierland slechter. Uit de EUROCARE-studie, gebaseerd op patiënten die in de periode 2000-2002 waren gediagnosticeerd, kwam ditzelfde beeld naar voren (Karim-Kos et al., 2008).

overleving baarmoederhalskanker internationaal

Figuur 3: Relatieve 5-jaarsoverleving van vrouwen met baarmoederhalskanker, met jaar van diagnose tussen haakjes. Voor Nederland zijn drie jaren samengenomen (Bron: OECD, 2011; Nederlandse Kankerregistratie).

Naar boven


Dikkedarmkanker

5-jaarsoverleving licht gestegen

Van de patiënten bij wie in 2004 dikkedarmkanker werd gediagnosticeerd, was de relatieve 5-jaarsoverleving bij mannen en vrouwen respectievelijk 60,9% en 61,2%. In de periode 1995-2004 nam bij zowel mannen als vrouwen de overleving toe (zie figuur 4). Bij mannen was vanaf 45 jaar in alle leeftijdsklassen een lichte stijging zichtbaar, bij vrouwen alleen in de leeftijdklasse 45-54 jaar. Voor zowel colonkanker als endeldarmkanker (rectumkanker) zijn de trends voor overleving nader onderzocht, waarbij rekening is gehouden met de stadiumverdeling bij diagnose. Het blijkt dat bij colonkanker de verbetering van de overleving alleen optrad bij tumoren die door de darmwand heengegroeid waren, al dan niet tot in de regionale lymfeklieren (stadia II en III), en niet bij tumoren die zich beperkten tot de darmwand (stadia 0 en I) (Van Steenbergen et al., 2010). Voor endeldarmkanker deden de verbeteringen zich voor bij zowel stadium III als stadium IV, waarbij zich uitzaaiingen hebben gevormd (Elferink et al., 2010).

Voor uitleg over stadia bij dikkedarmkanker: zie ziektebeeld en beloop van dikkedarmkanker

Nederlandse cijfers gemiddeld, vergeleken met andere westerse landen

Vergeleken met andere westerse landen bevindt Nederland zich in de middenmoot voor de indicator relatieve 5-jaarsoverleving bij darmkanker (zie figuur 5). In met name de VS, België en Canada is de overleving beter dan in Nederland. Voor mannen is in de VS de overleving 4,3 procentpunten hoger dan in Nederland, voor vrouwen in België 5,3 procentpunten. In het Verenigd Koninkrijk en Ierland is de overleving duidelijk verlaagd. Uit de EUROCARE-studie, gebaseerd op patiënten die in de periode 2000-2002 waren gediagnosticeerd, kwam ditzelfde beeld naar voren (Karim-Kos et al., 2008).

Verbeteringen in behandeling droegen mogelijk bij aan toename overleving

De lichte stijging van de overleving zou te maken kunnen hebben met veranderingen in het behandelbeleid. Het zou dan met name gaan om het vaker toepassen van adjuvante chemotherapie (Elferink et al., 2010; Van Steenbergen et al., 2010). Bij endeldarmkanker speelde mogelijk ook het vaker combineren van de chirurgische behandeling met preoperatieve radiotherapie een rol, en het vaker toepassen van een nieuwe chirurgische techniek (Elferink et al., 2010). Ook zou een toenemende mate van vroege opsporing kunnen hebben bijgedragen aan de lichte stijging van de overleving (Van Steenbergen et al., 2009b). In Nederland bestaat geen georganiseerd bevolkingsonderzoek, maar hebben wel proefbevolkingsonderzoeken plaatsgevonden. Bovendien laten steeds meer mensen zich op eigen initiatief onderzoeken (opportunistische screening), omdat zij darmklachten hebben, familieleden met dikkedarmkanker hebben of willen weten of zij risico lopen (Terhaar Sive Droste et al., 2009). Het aantal coloscopieën neemt elk jaar toe met ongeveer 6% (Jansen et al., 2009b).

5-jaarsoverleving darmkanker m+v

Figuur 4: Relatieve 5-jaarsoverleving (met 95% betrouwbaarheidsinterval) van patiënten met dikkedarmkanker, gestandaardiseerd volgens de ‘International Cancer Survival Standard’ (ICSS-2) populatie (Bron: Nederlandse Kankerregistratie (NKR)). Follow-up tot en met 2009.

overleving darmkanker internationaal

Figuur 5: Relatieve 5-jaarsoverleving (met 95% betrouwbaarheidsinterval) van patiënten met dikkedarmkanker, gediagnosticeerd in 2004 of daaromtrend. Voor Nederland zijn drie jaren samengenomen (Bron: OECD, 2011; Nederlandse Kankerregistratie).

Naar boven


Verschillen in beleid tussen landen

Flinke verschillen in aanpak van kanker tussen Europese landen

Uit een internationale analyse van het beleid ten aanzien van preventie, opsporing en evaluatie van kanker in Europa, valt op dat in Nederland pas op relatief hoge leeftijd begonnen wordt met borstkankerscreening (50 jaar; range 40-50 jaar), maar ook dat tot op hoge leeftijd wordt gescreend (75 jaar; range 59-75 jaar). Ook voor de onderste leeftijdsgrens van baarmoederhalskankerscreening zit Nederland aan de hoge kant (30 jaar; range 20-30), terwijl de bovenste leeftijdsgrens aan de lage kant zit (60 jaar; range 59-69+). Het is overigens niet gezegd dat een brede leeftijdsrange (kosten)effectiever is dan een nauwe range. Het screeningsinterval bij baarmoederhalskanker is in Nederland relatief lang (vanaf 1996 is dit 5 jaar, vóór 1996 was dit 3 jaar; range in Europa 1-5 jaar), en de participatiegraad is in sommige landen een stuk hoger (65%; range 10%-79%) (Bastos et al., 2010). Evenmin als in andere landen, bestaat in Nederland een landelijk bevolkingsonderzoek dikkedarmkanker. Alleen in Tsjechië is een landelijk bevolkingsonderzoek ingevoerd. Wat betreft de participatiegraad van de borstkankerscreening, het hebben van een nationaal plan voor kankerbestrijding, een landelijke registratie en een programma voor vaccinatie tegen het human papilloma virus, presteert Nederland gunstig.

Voor meer informatie over internationale verschillen in de preventie van borstkanker, baarmoederhalskanker en dikkedarmkanker: zie onder Internationale vergelijkingen: preventie van ziekten en aandoeningen.

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

OECD
Organisation for Economic Co-operation and Development
Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling. URL ledenlijst van de OECD: http://www.oecd.org/document/58/0,3746,en_2649_201185_1889402_1_1_1_1,00.html
Relatieve 5-jaarsoverleving
Relatieve 5-jaarsoverleving
De kans dat iemand vijf jaar na diagnose van een bepaalde ziekte niet aan die ziekte overleden is. Deze kans wordt geschat door deling van de geobserveerde overleving (onafhankelijk van doodsoorzaak) van de patiëntengroep gedeeld door de verwachte overleving van een groep met een zelfde leeftijds- en geslachtsopbouw uit de algemene populatie (op basis van sterftetafels van de algemene bevolking).

Definities

Coloscopie
Het bekijken van de hele dikke darm met een kleine camera bevestigd op een buisvormig toestel.
Zorgbalans, versie 3.2, 22 december 2011
© RIVM, Bilthoven.