Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Zorgbalans
Variatie tussen ziekenhuizen Trends

Variatie tussen ziekenhuizen

Het percentage ongeplande keizersneden dat wordt uitgevoerd bij zwangere vrouwen in de laagrisicogroep verschilt sterk tussen ziekenhuizen; in 2009 varieerde dit van 3% tot 35%

Al geruime tijd is het percentage keizersneden internationaal een veelgebruikte indicator om ziekenhuizen of zorgsystemen in landen met elkaar te vergelijken (Bailit et al., 2006; Main et al., 2006; Coonrod et al., 2008; Bailit, 2007). Aangezien ongecorrigeerde keizersnedepercentages weinig zeggen over de kwaliteit van de perinatale zorg, is het gebruikelijk om te corrigeren voor onderliggende risicofactoren (Paranjothy et al., 2005). Een andere manier om eerlijker ziekenhuizen te vergelijken, is het creëren van homogene (laagrisico) groepen (Bailit & Garrett, 2003; Bailit et al., 2006; Main et al., 2006; Coonrod et al., 2008).

In deze analyse is gekeken naar variatie in ongeplande keizersneden in een laagrisicogroep. De laagrisicogroep omvat à terme (≥ 37 weken) bevallingen waarbij vrouwen hun eerste kind baren en waarbij het een éénling betreft in hoofdligging. Een ongeplande keizersneden houdt in dat er tijdens de bevalling besloten wordt een keizersnede te verrichten, vanwege problemen met de moeder en/of het kind (NVOG, 2011). Daarentegen is een geplande (electieve) keizersnede gepland vóór het begin van de weeën, vanwege een specifieke klinische indicatie (NICE, 2004).

In 2009 varieerde het percentage ongeplande keizersneden per ziekenhuis dat is uitgevoerd bij de laagrisicogroep van 3,0% tot 35,0% (zie figuur 1). Er zijn ook grote verschillen binnen de drie typen ziekenhuizen. De verschillen tussen de academische ziekenhuizen zijn beperkt: 11,5% tot 23,3%. Tussen opleidingsziekenhuizen is de variatie groter: 3,0% tot 27,6%. De grootste verschillen zijn zichtbaar tussen niet-opleidingsziekenhuizen: 4,4% tot 35,0%; vijf ziekenhuizen hebben geen ongeplande keizersneden uitgevoerd in de laagrisicogroep. Van de vijftien ziekenhuizen met de hoogste percentages, zijn er elf niet-opleidingsziekenhuizen (databewerking Stichting PRN).

Resultaten uit een Amerikaanse studie, waarin ook gekeken werd naar variatie in het percentage ongeplande keizersneden binnen een laagrisicogroep, lieten een soortgelijke variatie zien van 10,3% tot 34,2% en met een gemiddelde 22,0% (Coonrod et al., 2008).

variatie keizersnedes

Figuur 1: Percentage ongeplande keizersneden bij vrouwen in de laagrisicogroep, 2009 (Bron: Stichting Perinatale Registratie Nederland).

Naar boven


Trends

Het percentage ongeplande keizersneden in laagrisicogroep in periode 2004-2010 licht gestegen

In de periode 2004 tot en met 2010 is er een stijgende lijn zichtbaar van het overall gemiddelde percentage ongeplande keizersneden dat is uitgevoerd in het ziekenhuis bij de laagrisicogroep, van 16,4% in 2004 tot 18,1% in 2010 (zie figuur 2). Alleen in 2005 lag het percentage met 15,9% iets lager dan in het voorgaande jaar. De laagrisicogroep betrof ongeveer 36% van de 601.449 bevallingen in 2010 (databewerking Stichting PRN). Het percentage in de academische ziekenhuizen ligt om en nabij het gemiddelde en varieert van 16,2% tot 18,4% in 2009. Voor de opleidingsziekenhuizen ligt het percentage lager: van 14,6% tot 16,6% (2009), terwijl het voor de niet-opleidingsziekenhuizen hoger ligt: van 17,6% tot 18,8% in 2009. Gegevens over de ziekenhuizen apart voor het jaar 2010 zijn nog niet beschikbaar.

Hoewel het totale aantal keizersneden in Nederland internationaal gezien laag is, steeg het overall percentage keizersneden van 7,4% in 1990 tot 15,4% in 2008 (CBS, 2007e; Stichting PRN, 2008c). Uit onderzoek is gebleken dat de stijging relatief het grootst was voor stuitligging, meerlingzwangerschappen en extreme vroeggeboorte, maar dat de toename in absolute aantallen het grootst was voor vrouwen met een à terme eenlingzwangerschap met het kind in hoofdligging (Kwee et al., 2007).

Keizersneden

Figuur 2: Percentage ongeplande keizersneden bij vrouwen in de laagrisicogroep, uitgesplitst naar type ziekenhuizen, 2004-2010 (Bron: Stichting Perinatale Registratie Nederland).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Bailit JL, Garrett J.Comparison of risk-adjustment methodologies for cesarean delivery rates. Obstet Gynecol, 2003; 102(1): 45-51.
  • Bailit JL, Love TE, Dawson NV.Quality of obstetric care and risk-adjusted primary cesarean delivery rates. Am J Obstet Gynecol, 2006; 194(2): 402-407.
  • Bailit JL.Measuring the quality of inpatient obstetrical care. Obstet Gynecol Surv, 2007; 62(3): 207-213.
  • CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.De Nederlandse samenleving 2007. Voorburg/Heerlen: CBS, 2007e.
  • Coonrod DV, Drachman D, Hobson P, Manriquez M.Nulliparous term singleton vertex cesarean delivery rates: institutional and individual level predictors. Am J Obstet Gynecol, 2008; 198(6): 694-711.
  • Kwee A, Elferink-Stinkens PM, Reuwer PJ, Bruinse HW.Trends in obstetric interventions in the Dutch obstetrical care system in the period 1993-2002. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol, 2007; 132(1): 70-5.
  • Main EK, Moore D, Farrell B, Schimmel LD, Altman RJ, Abrahams C, et al.Is there a useful cesarean birth measure? Assessment of the nulliparous term singleton vertex cesarean birth rate as a tool for obstetric quality improvement. Am J Obstet Gynecol, 2006; 194(6): 1644-1651.
  • NICE, National Institute for Clinical Excellence.Collaborating Centre for Women’s and Children’s Health. Caesarean Section. Clinical Guideline. London, UK: Royal College of Obstetricians and Gynaecologists, 2004.
  • NVOG, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie.Indicatiestelling sectio caesarea. Versie 1.0. Utrecht: NVOG, 2011.
  • Paranjothy S, Frost C, Thomas J.How much variation in CS rates can be explained by case mix differences? BJOG: An International Journal of Obstetrics and Gynaecology, 2005; 112: 658-666.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

PRN
Stichting Perinatale Registraties Nederland
URL: http://www.perinatreg.nl/
Zorgbalans, versie 3.2, 22 december 2011
© RIVM, Bilthoven.