U bevindt zich op:Zorgbalans›Kwaliteit›Effectiviteit van curatieve zorg›
In figuur 1 is voor zes patiëntengroepen te zien in hoeverre mensen lichamelijke verbeteringen ervaren bij de verkregen zorg. Voor iedere patiëntengroep zijn deze gegevens gebaseerd op een serie vragen over relevante lichamelijke vermogens. Bij staaroperatie gaat het bijvoorbeeld om goed dichtbij kunnen zien, goed veraf kunnen zien en kunnen deelnemen aan het verkeer. Bij rughernia hebben vragen onder meer betrekking op goed kunnen staan, zitten en lopen en over de mate van pijn. De percentages geven per patiëntengroep weer bij welke aandoeningen zij een verbetering in lichamelijke vermogens ervaren. Zo rapporteerden mensen die een staaroperatie ondergingen, bij gemiddeld 63% van de voorgelegde lichamelijke vermogens, verbeteringen.
Met uitzondering van reumapatiënten ervaren patiënten verbeteringen in het merendeel van de voor hun aandoening relevante lichamelijke vermogens. Deze percentages liggen rond de 60%. Een deel van de relevante lichamelijke vermogens gaat niet vooruit of blijft gelijk. Duidelijk is dat de meeste patiënten een duidelijke vooruitgang ervaren na de operatie. Patiënten die lijden aan reumatoïde artritis rapporteren de minste lichamelijke verbeteringen; bijna de helft van de lichamelijke vermogens blijft gelijk, 35% verbetert en 16% verslechtert. Reumatoïde artritis is een chronische, ongeneeslijke en progressieve ziekte, daarom is er voor reumapatiënten minder zicht op verbetering van lichamelijke vermogens vergeleken met de andere groepen.
Ten slotte zijn er twee patiëntengroepen waarvoor data beschikbaar zijn voor twee jaren: patiënten die een staaroperatie hebben ondergaan en patiënten die een heup- of knieoperatie hebben ondergaan. In beide gevallen zijn er geen noemenswaardige verschillen tussen de jaren.
Figuur 1: Percentage van lichamelijke vermogens waarin patiënten al dan niet verbetering ervaren bij diverse vormen van zorg (Bron: CQ-index).