Ziekenhuizen
In de ziekenhuiszorg is sinds 2000 een substantiële volumestijging zichtbaar: het aantal klinische opnames steeg jaarlijks met gemiddeld 3% en het aantal dagopnames met gemiddeld 10% (). Deze groei wordt voor een klein deel verklaard door de demografische ontwikkeling (de groei van de bevolking en de vergrijzing) (). Uit analyses van het RIVM blijkt dat de volumestijging vooral te maken heeft met een toename in nieuwe patienten (dat wil zeggen patiënten die in de laatste vijf jaar niet zijn opgenomen) en met een groei in ‘heropnames’ (; ). Patiënten worden na een opname vaker voor iets anders opnieuw opgenomen. In 2007 en 2008 was de uitgavenstijging bij ziekenhuizen iets groter dan de jaren ervoor (). Tegelijkertijd was de groei in opnames in deze jaren minder sterk. Een aantal andere factoren zorgden dus voor een prijseffect: zo is het gebruik van (dure) geneesmiddelen en hulpmiddelen verder gestegen, en in 2007 en 2008 stegen de kosten van kapitaal. De afschrijvingskosten namen vooral in 2007 sterk toe (14%) (; ; ).
Internationaal gezien ligt het aantal klinische opnames in Nederland nog steeds laag en is het aandeel dagopnames relatief hoog (). Een prijsaspect dat in Nederland opvalt ten opzichte van andere landen zijn de salarissen van medisch specialisten. Uit onderzoek van de OECD is gebeleken dat in ieder geval in de jaren 2003-2004 de salarissen van medisch specialisten in Nederland gemiddeld hoger lagen dan in tien andere vergelijkbare OECD-landen (). De impact van de salarishoogte op de totale zorguitgaven wordt gemitigeerd door het relatief lage aantal artsen per inwoner in Nederland.
Geneesmiddelen
Tabel 1 toont de prijscomponent en de volumecomponent achter de uitgavengroei van extramurale geneesmiddelen in de periode 2004-2008. Binnen de geneesmiddelensector was er de afgelopen jaren sprake van een zeer uiteenlopend prijseffect en volume-effect (). Er heeft een aanzienlijke prijsreductie plaatsgevonden als gevolg van de Wet Geneesmiddelenprijzen, convenanten tussen overheid en industrie en in 2008 ook door het preferentiebeleid van zorgverzekeraars. Tegelijkertijd is het aantal gebruikers van extramurale geneesmiddelen de afgelopen jaren substantieel toegenomen.
Tabel 1: Prijscomponent en volumecomponent achter de uitgavengroei van extramurale geneesmiddelen (€ miljoen), 2004-2008 (Bron: ).
|
|
2004
|
2005
|
2006
|
2007
|
2008
|
|
Prijs
|
5
|
21
|
-37
|
136
|
-250
|
|
Volume
|
-84
|
143
|
175
|
160
|
342
|
Tabel 2 toont de volumegroei van een aantal omvangrijke geneesmiddelengroepen. In de periode 2004-2008 kenden de cholesterolverlagers en maagmiddelen een opvallende volumegroei, gemiddeld 10% per jaar. Ook de groei in uitgaven aan dure geneesmiddelen was opvallend, deze zijn tussen 2004 en 2008 meer dan verdubbeld ().
Tabel 2: Aantal gebruikers, gemiddelde jaarlijkse groei aantal gebruikers (%) voor een aantal ‘grote groepen’ geneesmiddelen, 2004-2008 (Bron: ; ).a
|
Antidepressiva
|
936.000
|
978.000
|
1,1
|
|
Cholesterolverlagers
|
1.046.000
|
1.591.000
|
11,1
|
|
Astma en COPD middelen
|
1.361.000
|
1.552.000
|
3,3
|
|
Maagmiddelen
|
1.521.000
|
2.274.000
|
10,6
|
|
Diabetesmiddelen
|
605.000
|
749.000
|
5,5
|
|
Slaap- en kalmeringsmiddelen
|
1.868.000
|
1.809.000
|
-0,8
|
|
Dure geneesmiddelen
|
-
|
-
|
-
|
|
Etanercept (reuma, psoriasis)
|
3112
|
10394
|
35,2
|
|
Adalimumab (reuma, psoriasis, Crohn)
|
2355
|
6624
|
44,8
|
a Antidepressiva, cholesterolverlagers, astma en COPD middelen, maagmiddelen, diabetesmiddelen en slaap- en kalmeringsmiddelen op basis van CVZ () en dure geneesmiddelen op basis van SFK (). Een duur geneesmiddel kost volgens de SFK definitie meer dan € 500 per voorschrift
Geestelijke gezondheidszorg
In de GGZ zijn de uitgaven tussen 2000 en 2007 toegenomen met gemiddeld 8% per jaar en in 2008 stegen de uitgaven met bijna 12% (). De belangrijkste oorzaak van deze groei was een toename in het volume. Wanneer onderscheid wordt gemaakt naar ambulante contacten, klinische verblijfdagen en deeltijdsessies (behandeling in dagdelen) blijkt dat de volumegroei voornamelijk plaatsvond in de ambulante contacten. Deze groeiden tussen 2001 en 2004 met ongeveer 20% per jaar en tussen 2004 en 2007 met ongeveer 8% per jaar (zie figuur 1).
Figuur 1: Productie GGZ-instellingen, duizend, 2001-2007 (Bron: ).
Ouderenzorg
Ook in de ouderenzorg was de volumegroei de laatste jaren de belangrijkste determinant van de uitgavengroei. Het CBS publiceerde onlangs over de volume-ontwikkeling in de ouderenzorg (). Over de gehele periode 2000-2007 kende de ouderenzorg een volumegroei van bijna 4% per jaar. Figuur 2 toont de volumegroei voor verschillende vormen van ouderenzorg; verpleeghuiszorg, verzorgingshuiszorg en thuiszorg. Het volume wordt berekend op basis van het aantal uren en (lig)dagen geleverde zorg. Wat opvalt is dat de verzorgingshuiszorg qua volume is afgenomen en dat er aanzienlijk meer verpleeghuiszorg en vooral ook extramurale zorg bij is gekomen.
Figuur 2: Jaarlijkse volumegroei in de ouderenzorg (%), 2000-2007 (Bron: CBS data; databewerking RIVM).
* 2007 zijn voorlopige cijfers
Aangezien het aantal patiënten nauwelijks is gestegen (ruim 1% per jaar), wordt gesproken van zorgintensivering (). Er zijn meer uren zorg per patiënt geleverd en de zorgzwaarte van de patiënten is toegenomen.
Gehandicaptenzorg
Gemiddeld groeide het volume van de gehandicaptenzorg tussen 2000 en 2007 met 6% per jaar (). Het volume is hierbij berekend als een gewogen gemiddelde van drie typen gehandicaptenzorg: zorg met verblijf en behandeling (aantal verpleegdagen naar ernst van de beperking en leeftijd), zorg met verblijf zonder behandeling (aantal verpleegdagen naar type beperking en instelling) en zorg zonder verblijf (onder andere aantal dagbestedingsdagen in dagverblijven en aantal uren behandeling thuis).
De totale volumegroei kwam vooral voort uit een groei van zorg zonder verblijf (ambulante zorg). In de periode 2000-2004 groeide de gehandicaptenzorg met verblijf met 3% per jaar, terwijl de zorg zonder verblijf in een instelling groeide met ruim 15% per jaar. Na 2004 was de volumegroei lager: een kleine 2% per jaar voor zorg met verblijf en 9% per jaar voor zorg zonder verblijf.