Tussen 2008 en 2010 is het gebruik van goedkopere generieke geneesmiddelen verder gegroeid
Zoals elders beschreven was de groei van de uitgaven aan geneesmiddelen in 2010 beperkt, ongeveer 2,5%. Deze beperkte groei is een combinatie van een nog steeds toenemend gebruik van geneesmiddelen (volumegroei) en een dalende gemiddelde prijs per geneesmiddel (). De daling van de gemiddelde prijs wordt veroorzaakt door de door zorgverzekeraars afgedwongen prijsverlagingen op generieke geneesmiddelen (preferentiebeleid) en de prijsverlaging die middels de Wet Geneesmiddelenprijzen wordt gerealiseerd (). Een generiek geneesmiddel is een nagemaakt middel dat dezelfde stof(fen) bevat als het originele merkgeneesmiddel. Generieke middelen komen op de markt nadat het octrooi op het merkgeneesmiddel is verlopen, over het algemeen tegen een lagere prijs. Het gebruik van generieke geneesmiddelen maakt een steeds groter deel uit van het totale geneesmiddelengebruik. In 2010 bestond 59% van alle voorschriften uit generieke middelen, ten opzichte van 53% in 2006 (). Wanneer relatief meer generieke geneesmiddelen worden gebruikt kan dit doelmatigheidswinst opleveren mits deze middelen in de praktijk net zo goed werken als de alternatieven en bij de juiste personen worden ingezet. De -standaarden, opgesteld door huisartsen en andere deskundigen, kunnen hierbij als richtlijn worden gebruikt. Zo geeft de NHG-standaard cardiovasculair risicomanagement de voorkeur aan de generieke (goedkopere) middelen simvastatine en pravastatine ten opzichte van andere statines.
Figuur 1 toont het gebruik van vijf cholesterolverlagende middelen. In tegenstelling tot eerdere jaren is in 2009 alleen het gebruik van de goedkoopste generieke middelen, simvastatine en pravastatine, toegenomen. Ondanks dat het totaal aantal gebruikers van alle cholesterolverlagers jaarlijks blijft toenemen, in 2009 en 2010 met respectievelijk 5% en 7%, lopen de uitgaven terug vanwege forse prijsdalingen. De uitgaven voor de 1,7 miljoen gebruikers in 2010 waren ongeveer € 240 miljoen, terwijl voor de 1,5 miljoen gebruikers in 2008 zo'n € 300 miljoen werd uitgegeven (GIP Databank, CVZ). Ook binnen andere geneesmiddelengroepen, zoals protonpompremmers (behandeling van maagzweer) en RAS-remmers (behandeling hoge bloeddruk), heeft het preferentiebeleid van zorgverzekeraars gezorgd voor lagere prijzen van generieke middelen. In deze gevallen lijkt het effect van het preferentiebeleid minder sterk aangezien zowel het gebruik van generieke middelen als het gebruik van duurdere middelen toeneemt (zie figuur 2).
De mate waarin goedkopere medicijnvarianten worden voorgeschreven verschilt tussen regio’s (). Deuning en Eimers (2010) tonen regionale verschillen in het voorschrijven van voorkeursmiddelen, waaronder statines, antibiotica en RAS-remmers (zie link). Zo wordt vergeleken welk deel van de nieuwe gebruikers van statines een van de twee generieke middelen, simvastatine of pravastatine, krijgt voorgeschreven. In 2009 kreeg in sommige regio’s ongeveer 70% van de nieuwe gebruikers een goedkopere variant voorgeschreven, terwijl het percentage in andere regio’s tegen de 90% lag. Binnen regio's zijn er overigens nog behoorlijke verschillen tussen de verschillende apotheken in het voorschrijven van voorkeursmiddelen (). In 78 van de 79 regio's is het percentage voorgeschreven preferente statines hoger dan in 2008 en het landelijk gemiddelde steeg in een jaar tijd van 69% naar 79%. Bij geneesmiddelen voor maagklachten, protonpompremmers en RAS-remmers is er een grotere regionale variatie in het voorschrijven van voorkeursmiddelen (volgens de NHG-standaard). Overigens zijn het bij deze andere groepen geneesmiddelen niet altijd dezelfde regio’s die 'goed' presteren en 'slecht' presteren.
Figuur 1: Aantal gebruikers van vijf cholesterolverlagers (*1000), 2004-2010 (Bron: GIP databank, CVZ).
Figuur 2: Aantal gebruikers van vijf protonpompremmers (*1000), 2004-2010 (Bron: GIP databank, CVZ).